LezenswaardigDe Institutie van Calvijn - Het gebed (5)'De voornaamste oefening van het geloof, waardoor wij elke dag Gods weldaden verkrijgen.'Regelmaat en volharding in het gebed50. Bidden op geregelde tijden?Hoewel reeds opgemerkt is dat men altijd het hart tot God moet verheffen en zonder onderbreking moet bidden, is het toch goed wanneer ieder van ons voor zichzelf aparte uren vastlegt om zich daarin te oefenen, aangezien onze zwakheid zo groot is dat het nodig is haar met vele hulpmiddelen te ondersteunen en onze slapheid zodanig dat ze door prikkels aangespoord moet worden. Deze uren mogen niet zonder gebed verstrijken en dienen met het oog daarop alle gemoedsbewegingen geheel en al in beslag te nemen, 's morgens wanneer wij opstaan, voordat wij ons tot ons dagelijks werk begeven, wanneer wij aan tafel gaan om te eten, wanneer wij door Gods zegen de maaltijd gebruikt hebben, en wanneer wij ons ter ruste begeven. Het moet alleen geen bijgelovig waarnemen van getijden worden, waardoor we tot de gedachte zouden kunnen komen dat we God als het ware een bepaalde hoeveelheid gebeden moeten geven en dan voor de rest van de tijd van deze plicht ontslagen zijn. Nee, het moet een maatregel zijn om onze zwakheid op deze wijze te oefenen in het gebed en steeds weer aan te sporen. We moeten er vooral op bedacht zijn wanneer wij zelf door enige benauwdheid bedrukt worden of anderen erdoor bedrukt zien, dat we ons dan meteen tot God begeven, niet op snelle voeten, maar met snelle harten. In de tweede plaats mogen we het niet laten gebeuren dat we achteloos voorbijgaan aan voorspoed van onszelf of van anderen, maar met lof en dank betuigen dat wij Gods hand daarin erkennen. En tenslotte moeten we er bij al ons bidden goed op letten dat we God niet willen binden aan bepaalde omstandigheden en dat we Hem net willen voorschrijven op welk moment, op welke plaats en op welke manier Hij iets moet doen. Zo leert dit gebed ons Hem nooit de wet voor te schijven of een voorwaarde op te leggen, maar het aan Zijn oordeel over te laten om de dingen die Hij zal doen, te doen op de manier, de tijd en plaats die Hem goeddunkt. Voordat we iets voor onszelf gaan bidden, moeten we dan ook eerst de wens uitspreken dat Zijn wil zal geschieden. Daarmee maken we dan onze wil ondergeschikt aan die van Hem, zodat hij als het ware gebreideld en ingetoomd wordt en het niet meer waagt God te commanderen, maar Hem tot een rechter en bestuurder van al zijn verlangens stelt. 51. Geduld en volharding in het gebed Wanneer wij ons hart geschikt hebben tot deze gehoorzaamheid en ons dan laten regeren door de wetten van Gods voorzienigheid, zullen wij zonder moeite leren te volharden in het gebed, onze verlangens op te schorten en geduldig de Heere te verwachten in het vaste vertrouwen dat Hij altijd bij ons is, al zien we daar niets van, en dat Hij op Zijn tijd zal laten zien dat Hij zich niet doof gehouden heeft voor de gebeden die in de ogen der mensen door Hem genegeerd leken te zijn. Dat is ook wat ons het meest tot steun zal zijn, om niet te bezwijken en in de wanhoop te verzinken, als God geen antwoord geeft wanneer wij voor de eerste keer in ons gebed iets aan Hem vragen. Zo gaat het vaak bij hen die zich alleen door hun eigen hartstocht laten leiden. Als die tot God roepen en Hij hen niet, zodra zij daarop bij Hem aandringen, te hulp schiet en hen bijstand biedt, dan denken zij meteen dat Hij vertoornd op hen is en zich tegen hen keert; ze laten dan alle hoop op verhoring van hun gebed varen en houden ermee op God aan te roepen. Maar laten wij liever onze hoop in een welberaden kalmte van gemoed opschorten en ons toeleggen op de volharding die ons in de Schriften zozeer aanbevolen wordt. In de Psalmen kunnen we namelijk keer op keer zien hoe David en andere gelovigen toch niet stoppen met bidden, al lijken ze, bijna uitgeput van het bidden als zij zijn, het allemaal voor niets gedaan te hebben, omdat hun woorden tot een dove God gericht zijn. Alleen daar krijgt het Woord van God namelijk het gezag dat eraan toekomt, waar het vertrouwen in dat Woord een hogere plaats inneemt dan alles wat er gebeurt. Laten we verder ook God niet verzoeken en Hem met onze verdorvenheid zo vermoeien dat wij Hem uitdagen Zich tegen ons te keren. Dat gebeurt nogal eens bij velen die alleen op bepaalde voorwaarden een akkoord met God sluiten en Hem, alsof Hij de dienaar van onze verlangens zou zijn, binden aan de bepalingen van de afspraak die ze gemaakt hebben. Als God daar dan niet meteen gevolg aan geeft, worden ze boos, mopperen ze , maken bezwaren, protesteren en verheffen hun stem. Aan zulke mensen geeft God daarom vaak in Zijn Toorn wat Hij aan anderen in Zijn gunst onthoudt. Het bewijs daarvan zijn de kinderen van Israël, die beter niet door de Heere verhoord hadden kunnen worden dan met het vlees dat zij verslonden ook Zijn toorn over zich af te roepen. 52. Onverhoorde gebeden? Zelfs als we na lang wachten nog niet het gevoel krijgen dat we met ons bidden iets opgeschoten zijn en we geen enkel resultaat ervan ervaren, zal ons geloof ons toch nog de zekerheid geven van wat met het gevoel niet waar te nemen valt, dat we namelijk verkregen hebben wat goed voor ons was, aangezien de Heere zo vaak en zo vast belooft voor ons te zullen zorgen in onze moeilijkheden, zodra die eenmaal in het gebed voor Hem zijn neergelegd. En zo zal Hij ervoor zorgen dat wij in armoede overvloed, en in beproeving troost bezitten. Want al zou alles ons ontvallen, God zal ons dan toch niet in de steek laten, want Hij zal nooit de verwachting en het geduld van de Zijnen beschamen. Hij alleen zal voor ons in de plaats van alles komen, want Hij omvat in Zichzelf al het goede dat Hij eens zal openbaren op de oordeelsdag, wanner zijn Koninkrijk in volle omvang aan het licht zal treden. Daarbij komt nog dat ook als God ons wel verhoort, het toch niet altijd beantwoordt aan wat met zoveel woorden in het gebed gevraagd is, maar terwijl Hij ons voor het oog nog op de verhoring laat wachten, laat Hij toch op een voor ons niet te doorgronden wijze zien dat onze gebeden niet tevergeefs geweest zijn. Hierop doelen de woorden Van Johannes: ´Indien wij weten dat Hij ons hoort wanneer wij iets van Hem bidden, weten wij dat wij verkregen hebben wat wij in het gebed van Hem vragen´. Dit lijkt een overbodige woordenstroom; het is evenwel een bij uitstek nuttige toelichting die duidelijk maakt dat God, ook wanneer Hij ons niet ter wille is, toch welwillend en goedgunstig staat tegenover onze gebeden, zodat we nooit in onze verwachting beschaamd zullen worden als die steunt op Zijn Woord. De gelovigen hebben de steun van dit geduldig wachten zozeer nodig dat ze het niet lang zouden uithouden als ze zich niet daarop konden verlaten. Niet gering zijn namelijk de verzoekingen waarmee de Heere de Zijnen beproeft en Hij oefent hen niet op zachtzinnige wijze, maar drijft hen vaak tot het uiterste, en als ze eenmaal op dat punt gekomen zijn, laat Hij hen langdurig in de modder verkeren voordat Hij hun een proeve van Zijn lieflijkheid verschaft. En zoals Hanna zegt: 'Hij doodt en Hij maakt levend; Hij doet mensen in het graf verzinken en Hij brengt hen daaruit terug'. Wat zouden ze in die omstandigheden nog kunnen doen dan de moed verliezen en in wanhoop ten onder gaan, als niet deze gedachte de beproefde, van alle troost verstoken en al half dode mensen weer moed zou geven, dat God hen in het oog houdt en dat er een einde zal komen aan hun huidige ellende? Maar hoezee ze ook door de geruststellende zekerheid van deze verwachting overeind blijven, ze houden intussen toch niet op met bidden. Wanneer er immers geen sprake is van aanhoudend en volhardend gebed, bereiken we met bidden niets. |
|
Zou er wel een hart zijn dat zo hard is dat het het oog van een vader kan weerstaan dat met een tedere blik naar een opstandig, dwalend kind kijkt, het uitnodigt en verwelkomt om terug te keren? Gods kind voelt het diepste, bitterste en zuiverste verdriet om de zonde als het oog in oog staat met God. Als men niet kan slapen en het kussen nat maakt met zijn tranen, als men zijn hart in het geheim openlegt voor het oog van Jezus, als het privé-vertrek getuige is van de vertrouwelijke bekentenissen en het smeken van een berouwvol hart, dan voelt men en spreekt men een smart uit over de zonde die zo echt en ontroerend is dat Christus wel op de ziel neer moet kijken met de meest vertederde uitdrukking en met woorden die alleen maar van vergeving spreken. Laten wij er altijd naar streven ons ervan bewust te zijn dat het liefdesoog van Jezus op ons rust. O, laten wij toch leven alsof wij in het brandpunt staan van Zijn oog, zowel in het openbaar als wanneer wij alleen zijn, in ons tijdelijke beroep en in onze geestelijke roeping, in voor- en tegenspoed, op alle plaatsen en onder alle omstandigheden. Toen onze Heere op aarde was, een Man van smarten, waren Zijn ogen somber van verdriet, maar nu Hij in de hemel is, zijn ze als een vlam vuurs. Voor Zijn heiligen is dat geen brandende, verterende vlam, maar een vlam van onuitblusbare liefde. Denk dan niet, eenzame gelovige, dat u een banneling bent, die door niemand gezien kan worden. De ogen van anderen zijn misschien van u afgekeerd en gesloten, omdat ze u niet kunnen zien vanwege de te grote afstand, of omdat de dood hun gezicht heeft verduisterd, maar het oog van Jezus, uw Heere, rust altijd op u, met een liefde die nooit sluimert. De genadige belofte van uw God is: Mijn oog zal op u zijn. Kijk altijd ingespannen naar dat oog: ziende op Jezus. Hij is de fontein van alle licht, en in het licht dat uit Zijn oog straalt, zult u in het donkerste uur van uw leven licht zien op de weg die voor u ligt. En ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde. Richt toch uw oog niet altijd naar beneden, Want daar wacht steeds uw schaduw weer op u. Maar zie omhoog en zie voorbij het heden. De schaduwloze zon beloont u nu. Wie 't donker ziet, is donker; zoek het licht En word als 't licht dat straalt op uw gezicht. En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelve beeld in gedaante veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest. Octavius Winslow |
Kinderen voor de Heere opvoedenO, vaders en moeders! Laat mij bidden tot u spreken, hoewel ik het u in de Naam van de Heere gebieden mocht, als zijnde de grootste plicht die God u oplegt, naast die van uw eigen zielen te behouden. Dit is mijn ernstig verzoek en gebed: dat u toch uw kinderen voor de Heere wilt opvoeden en geen arbeid of moeite daartoe spaart. Zo zult u uw vreugde en troost vermenigvuldigen, méér dan wanneer alle dingen in de wereld naar uw zin en tot uw voordeel en verheuging mochten uitvallen. Daarom, bid ik u, zet u tot dit werk, vaders en moeders, want de Heere eist het van beiden. Breng uw kinderen tot God en leer ze hoe Hem te dienen al hun dagen. Zij zijn van de Heere, meer dan van u. De Heere is hun Heere en Eigenaar, als hun Schepper en Onderhouder. En u hebt hen in de doop aan God toegewijd. Daar hebt u een heilige belofte gedaan dat u ze als Zijn eigendom zou opvoeden; niet voor het vlees, de wereld en de duivel, maar voor Hem, om Hem te dienen en te leven. Het verbond waarvan zij het zegel ontvingen, eist geloof en bekering. Zou u ze dan niet in kennis en tot geloof en Godzaligheid opvoeden? U hebt immers niet willen liegen voor de Heere, zo wil ik hopen en u hebt geen berouw dat u ze aan God in het sacrament hebt toegewijd.Zoek hen te behouden en hen door behoorlijke middelen, van God voorgeschreven, van het kwade af te houden en tot alle goed aan te sporen. Van u hebben zij geërfd oorspronkelijk kwaad, zijn ze duizendmaal erger dan alsof ze melaatsheid, steen, en zo naar het lichaam van u geërfd hadden. Het is dan billijk dat u hun genezing zoekt met uiterste inspanning van uw krachten; dat u hen in de hand van de Medicijnmeester der zielen, Jezus Christus, probeert over te brengen, hun de Naam van Jezus bekend zult maken en Hem aan zult prijzen en ze als met de hand tot Hem te leiden Die gezegd heeft: Brengt de kinderkens tot Mij. Hij zal ze zegenen en omhelzen. Handel toch barmhartig met uw kinderen, die met zo'n lichaam der zonde van der jeugd af omhangen zijn en in duizend gevaren zijn om door de satan, de wereld en het vlees op allerlei wijzen bedrieglijk naar de hel gevoerd te worden. Help hen toch, die in zo veel kwellingen zijn en niet weten hoe zichzelf te wapenen en hoe te strijden; die in zo'n vreselijk gevaar zijn dat ze onder Gods toorn ter helle zullen zinken en niet weten hoe ze vrede met God zullen maken en hoe de Middelaar te gebruiken; Uw kinderen die zo'n kracht van vergiftige verdorvenheid hebben en niet verstaan hoe dodelijk die is en op welke wijze zij die zullen doden en ten onder brengen. Heb medelijden over hun onsterfelijke zielen die van hun geboorte af onder het vonnis van de dood liggen en wijs hun een gezegende Zaligmaker aan, Die het leven en de onsterfelijkheid heeft aan den dag gebracht. Laat hen niet in onwetendheid over de nodige waarheden en plichten. Grijp ze uit het vuur, uit de vlammen van de hel, daar zij van nature al enigermate in zijn. Doe met heel uw hart veel moeite om ze voor de eeuwige pijn te bewaren en tot de hemelse erfenissen te bereiden. Onttrek uzelf niet. Bent u liefhebbende en Godvrezende ouders? Toon het hier metterdaad. Jacobus Koelman |
GedichtEen biddende gemeenteGod wil dat wij Hem zoeken in gebed,Ja, dat wij tot Hem gaan met vurig smeken. Zijn Almacht is vaak duidelijk gebleken: Hoe menigmaal heeft Hij verhoord, gered! 't Gebed wijst ons op onz' afhank'lijkheid: Wij zijn zo zwak, wat zullen wij vermogen? Hoe groot is dan Gods mededogen: Hij geeft 't gebed als wapen in de strijd. Maar w' ondervinden het: In ons geen kracht! Wil Heere door Uw Heil'ge Geest ons leren 't gebed ook als een wapen te hanteren, Opdat Uw kracht in zwakheid wordt volbracht. God geeft 't gebed als middel in Zijn hand: Wanneer de een verwijderd is van d'ander, Dan geeft 't gebed verbinding met elkander, Dan voelen we een wonderlijke band. Als er een biddende gemeente is, Dan worden er ook wond'ren waargenomen: Een Petrus mocht aan 's vijands macht ontkomen: Hij werd verlost uit de gevangenis! God geev' aan predikant en kerkenraad, Maar tevens ook aan de gemeenteleden, Elkanders nood te dragen in gebeden, In onderwerping aan Gods wijze raad. O, dat we dan in huisgezin en kerk, Steeds door genade biddend werkzaam waren! Dan zouden we om Christus wil ervaren, Dat God de kroon zet op Zijn eigen werk! Als ik iemand tegenkom, die roept: 'er is geen liefde in de kerk', dan kun je zo'n uitspraak heel goed vertalen als: 'er is geen liefde in mij!' C.H. Spurgeon |